Autunno Ensemble en sopraansoliste: topkwaliteit

Dokkum

Ieder jaar doet het Autunno Ensemble in de herfst Dokkum aan en ieder jaar neemt het ensemble een voortreffelijke solist mee. Zaterdagavond trad het orkest in de Grote Kerk op met de Russisch-Nederlandse sopraan Elnara Muermans. Een vrouw met een ongelooflijk mooie stem, die in de liederencyclus ‘Les illuminations’ van Benjamin Britten alles liet horen, wat ze in huis heeft: klankschoonheid in alle registers, lenigheid in glissandi, chromatiek en coloraturen, de gave van staccato- en quasi haperende zang en een meesterlijke beheersing van de dynamiek.

Haar gezicht sprak bij alle teksten van Arthur Rimbaud boekdelen en haar armen bewogen theatraal met de muziek mee, zodat haar lichaamstaal de Franse tekst niet zozeer deed verstaan als wel begrijpen. Op het begeleidende strijkorkest kon zij blindvaren. Het onderstreepte al haar bedoelingen, hetzij met flageoletspel van de violisten, hetzij met ‘gitaar’-spel van cellisten en altviolisten, en ging volledig mee in de expressie, de extase en het temperament, als ook in de overgangen naar rustige en ingehouden momenten. Het was de Nederlands-Amerikaanse dirigente Hebe de Champeaux, dit jaar voor het eerst op de bok bij het meer dan dertig jaar oude orkest, die exact aangaf, wat er muzikaal moest gebeuren. Dit deed zij ook bij de ‘Idyll voor strijkorkest’ van Janácek en het ‘Divertimento voor strijkers’ van Bartók. In eerstgenoemd werk kwamen diverse tempi langs en was het karakter afwisselend weemoedig, stoer en ferm, geheimzinnig en feestelijk. Iedere speler was zich bij dit alles zeer bewust van zijn rol in het geheel en maakte dat er collectief gewerkt kon worden aan welk klankweefsel dan ook. Als luisteraar had je telkens het gevoel van ‘Zo hoort het, het kan gewoon niet anders’. Ook bij Bartók deed de saamhorigheid wonderen. Met grillige overgangen wist men raad, bij fel ritmische passages werd technisch en dynamisch alles uit de kast gehaald, in de trage beweging zorgde men voor onderhuidse spanning en compleet solidair was men in gezamenlijk unisono – en pizzicatospel. Een orkest, dat al spelend zo’n eenheid is, kan tijdelijk best zonder dirigent. Het bewijs daarvan werd geleverd met de ‘Notturno opus 40’ van Dvorák, waarin de dirigente als violiste - voor het publiek vrijwel onzichtbaar – meespeelde. Zowel in kabbelende voortgang als in versnellingen voelde men elkaar goed aan en bij de spanningsop – en afbouw stemde men de dosering perfect op elkaar af. Wat een orkest! Concertmeester Anna Sophie Torn, die een glansrol speelde in Bartók, mag er trots op zijn. VERSLAG RENNIE VEENSTRA, FOTO'S JAN VAN EMPEL  

Auteur

jkommerie