Een onverwachte schat: pakketje caraco’s van Schiermonnikoog

SCHIERMONNIKOOG

Door de werkzaamheden voor het nieuwe Fries Museum en daarna het nieuwe gezamenlijke Friese depotgebouw, het ‘Kolleksje Sintrum Fryslân’ kon het voorkomen dat er nu bij het uitpakken in het nieuwe depot een pakket kleding tevoorschijn komt dat nog niet is verwerkt.

Het gaat om een pakketje kleding uit de 18de eeuw verpakt in een doek van bedrukt katoen. Het was een pakketje uit familiebezit, met voorouders op Schiermonnikoog, een familie van zeelieden. De doek was ooit bedoeld als fichu: er zijn twee hoekmotieven, diagonaal tegenover elkaar. In de beide andere hoeken zouden de motieven door vouwen namelijk onzichtbaar worden. Maar dan, de verrassing: in het pakketje zitten maar liefs 3 caraco’s, modieuze vrouwenjakken uit de 18de eeuw. Hetzelfde model, maar verschillende materialen, een wollen, een zijden en een katoenen jak. De kleding is in goede staat, maar wat verfomfaaid door het lange verblijf in het pakketje. Verder twee kleurrijke kroplappen van Indiase sits, een kinderjakje van rode sits en een paars katoenen kinderjakje uit de 19de eeuw dat later moet zijn toegevoegd. Caraco’s Deze jakjes of caraco’s hebben een lengte tot op de dijen en zijn aansluitend in de taille. De aangeknipte schoot heeft aan de achterkant drie waaierplooien. De ingezette mouwen zijn driekwart, tot en met de elleboog. Ze hebben een wijde hals en ingezette V-vormige vestpandjes tot net onder de taille die sluiten met haken en ogen. Vergelijkbare jakken zijn in heel Nederland gedragen, maar toch zijn er subtiele regionale verschillen in vormgeving. Het meest bijzonder is het jak van bruinzwarte dunne wollen stof, gevoerd met bruin met wit gestreept linnen. Wollen jakken uit de 18de eeuw zijn vrij zeldzaam, in tegenstelling tot de katoenen jakken zoals sits. Wol was meer het ‘gewone’ materiaal, dat daarom minder werd bewaard, en wol is bovendien zeer aantrekkelijk voor mot. Op de vestpandjes is zwart geplooid zijden lint genaaid, alsof de pandjes uit twee delen bestaan. Dat komt regelmatig voor, want door de dan ontstane spleet kan namelijk de halsdoek getrokken worden, die daarmee goed op z’n plek wordt gehouden. Bij dit jak zal de halsdoek bij het jak in gedragen zijn. Kroplappen In het pakketje zitten ook twee sitsen kroplappen in frisse kleuren, die ongetwijfeld bij dit effen jak gedragen zijn. Deze combinatie: een zwart of donker wollen jak met een gebloemde kroplap bij de hals, is de basis voor wat nu het traditionele Volendammer jak is. Tegenwoordig zijn de bloemen geborduurd en is de relatie met Indiase sits verdwenen. De kroplappen in dit pakket zijn niet gevoerd, maar rondom afgewerkt met linnen band, in tegenstelling tot de andere in de collectie in het Fries Museum. Dat geeft ons een blik op de achterkant van de sits: de rode grond is niet door en door gekleurd in een verfbad waaraan beits toegevoegd zou kunnen zijn. Het is verbazingwekkend dat de Indiase katoenschilders met het schilderen van de beitsen dergelijke egale grond konden vervaardigen. Tegenwoordig zijn enkele sits-schilders, in India zoals Renuka Reddy, bezig om die vaardigheid opnieuw te verwerven. Of een sitsen kroplap ook bij een zijden jak werd gedragen is niet bekend. Met een transparante batisten fichu ertussen zou de lichtste kroplap mooi staan bij het jak van tere crème zijde. De tafzijde heeft ingeweven strepen met vervaagde motieven, die op de ketting zijn gedrukt, die van kleur verlopen. Gelukkig is het jak gevoerd met zachte gestreepte katoen, want dankzij de voering heeft het vrijwel ongeschonden 250 jaren doorstaan. Het katoenen jak bedrukt in opmerkelijk frisse kleuren is op dezelfde manier gegarneerd als het zwarte jak, met een zijden galon dat een tweedeling van de vestpandjes suggereert. De stof maakt nieuwsgierig naar de herkomst, want er werd volop katoen uit het buitenland geïmporteerd. Het zou mooi zijn als ook de stalenboeken van Nederlandse katoendrukkerijen online beschikbaar komen. In het pakket zitten ook twee kinderjakjes, een sitsen exemplaar dat vergelijkbaar is met de volwassen caraco’s en een kinderjakje dat in het pakketje zit is echter minder oud, het moet uit de 19e eeuw afkomstig zijn en later zijn toegevoegd. De herkomst Naar de herkomst van deze stukken heeft een kleindochter genealogisch onderzoek gedaan. Een richtinggever was een merklap uit de familie, gemaakt door de 11 jarige Reinu Jeppes dochter in 1735, uit Lioessens in noordoost Friesland. Haar zus Tetje Jeppes trouwt in dat jaar op Schiermonnikoog met de zeeman Remke Ytjes. Hun oudste zoon Itje Remkes Rus is eveneens varensgezel. Itje trouwt op 5 mei 1766 met Trijn Luitjens, een huwelijk dat echter in Sloterdijk wordt bevestigd. Vermoedelijk moet Itje kort daarop inschepen in Amsterdam om naar Rusland te varen. Hij heeft niet voor niets de achternaam Rus aangenomen. Inderdaad is er 11 mei onder gezagvoerder Jurian Hermanns uit Amsterdam een schip naar St. Petersburg vertrokken met een lading van o.a. suiker, grutten, indigo, brazielhout, verwerkte zijde en Rijnwijn, maar of Itje aan boord was heb ik nog niet kunnen achterhalen. Vermoedelijk hebben de jakken tot de huwelijksuitzet van Trijn Luitens behoord en zijn ze omstreeks 1765 te dateren. De kleding blijft lang op Schiermonnikoog, tot in1894 een nazaat, Aaltje Tommina Bloos, met een Rotterdammer trouwt en de kleding meeneemt naar Holland. Een van haar dochters erft het pakketje en haar kleinkinderen hebben de jakken ondergebracht in het Fries Museum. Daar vertellen ze het verhaal van de variatie in de jakken van een zeemansvrouw op het kleine eiland Schiermonnikoog. Bron

Auteur

admin