Vaart en bezieling bij Fryske Matthäus Passion

Dokkum

Friezen, die vrijdagavond in de Grote Kerk in Dokkum de door Peter Sijbenga in het Fries vertaalde Matthäus Passion van Bach hoorden, konden deze qua taal op dezelfde wijze beleven als Duitsers dat altijd al kunnen.

Het Noord Nederlands Concertkoor, het Martini Jongenskoor Sneek en een zestal solisten deden er alles aan om zich zingend zo verstaanbaar mogelijk te maken en de vertrouwde Duitse tekst uit ieders oren weg te wissen.
Dat lukte helaas maar ten dele, aangezien de koorzang door een vrij fors spelend Noord Nederlands Orkest werd begeleid en niet alle zangsolisten de taal op de juiste manier uitspraken.
Met kop en schouders stak de bas Maarten Koningsberger wat dat betreft boven de anderen uit. Alles wat hij zong klonk prachtig en was woordelijk te verstaan.
Geleidelijk aan waren ook de andere solisten wel te volgen, maar je moest even aan hun ‘dialect’ wennen.
Kwalitatief waren ze zonder uitzondering van hetzelfde hoge niveau. Peter Gijsbertsen(tenor) toonde zich een betrouwbare evangelist, Georg Gädker(bas) bleek een solide Jezus-vertolker, Mark Omvlee(tenor) zong helder en overtuigend en Johannette Zomer(sopraan) en Cécile van de Sant(alt) droegen hun partijen uiterst welluidend voor.
Hun recitatieven en aria’s werden, afgezien van ‘Ja, freilich will…’ en ‘Komm, süßes Kreuz’, waar enige stagnatie optrad, voortreffelijk begeleid. Met name in de instrumentale solopartijen viel veel fraais te beluisteren.
De door dirigent Reinhard Goebel gekozen snelle tempi zetten de koorleden aan tot alerte zang. Dat zijn heftige armbewegingen het volume nogal beïnvloedden, merkte hij zelf bij het slotkoor, waarin hij abrupt tot dimmen moest manen om grip op de zaak te houden.
In het bekende ‘Sind Blitze, sind Donner’ overheerste de donder de bliksem enigszins en in het openingskoor ging de melodie van het jongenskoor vrijwel geheel verloren in de overweldigende muzikale drukte van koor en orkest.
Gelukkig hadden de jongens ook een taak in de koralen van het eerste deel van de passie. Daarin gaven zij een mooie sopraanglans aan de liederen, die zodanig werden neergezet, dat niet iedere zin onmiddellijk volgde op de vorige, maar enige ruimte liet voor bezinning.
Uiteraard pasten de koorzangers hun ademhaling daarop aan en de instrumentalisten hun frasering, zodat er sprake was van een hechte eenheid.
Het spreekt vanzelf, dat waar woord en toon gelijk opgaan, dit de verstaanbaarheid ten goede komt. En dan ontroert ‘Moat ik ienkear ferskiede’ evenzeer als ‘Wenn ich einmal soll scheiden’.
 


Auteur

Rennie Veenstra